Cogito ergo sum, oftewel: ik denk dus ik besta. Deze stelling van de Franse filosoof Descartes schoot me dit weekend te binnen toen ik uitkeek over het IJsselmeer. Tsja, zo werkt mijn hoofd soms: de vreemdste dingen komen op de raarste momenten mijn hoofd ingevlogen. Vlak daarvoor was ik – op mijn fietsschoenen nota bene – een steile, schuine, stenen trap opgeklommen met mijn racefiets op mijn schouder. Na een tochtje langs de dijk wilde ik water zien, ver kunnen kijken, uitzicht opsnuiven.

Deze hele rit al lijkt het alsof mijn zintuigen harder hun best doen dan anders. Ik hoor vogels die ik anders niet hoor, zie sneeuwklokjes in de berm, knopjes in de bomen, glimlach vertederd om de peuter die probeert me bij te houden op haar fietsje op de stoep, ruik van alles wat ik anders niet ruik.

Waarschijnlijk is het gewoon mijn verbeelding die een loopje met me neemt. Een andere logische verklaring is dat het lang geleden is dat ik buiten heb gefietst. Deze winter kwakkelen we thuis weer lekker: van verkoudheidje naar griepje en weer terug naar verkoudheid en tussendoor probeer ik ook nog te werken en mijn sportschema aan te houden. Vooral hardlopen de laatste tijd, af en toe een tacxtraining en wekelijks baantjes trekken op zondag. Vorig weekend was het druk in het zwembad en besloten we ter plekke de plannen te wijzigen: niet trainen, maar gewoon bij de kinderen blijven, zodat mijn man zijn handen iets minder vol zou hebben aan twee kinderen. De bonus kwam ’s middags: een fietsritje van een uurtje in de namiddagzon.

En nu dus op zaterdag alwéér een ritje en alwéér in de zon. Lente in februari, zo voelt het. En omdat je maar nooit weet of het bij de volgende fietstraining ook zulk lekker weer is, geniet ik. Met meer dan volle teugen: ogen, oren, neus, huid, gevoel, alle zintuigen staan áán vandaag. En uiteraard peddel ik lekker twee uren in plaats van één. Ik heb zelfs drie uren overwogen, maar besloot wijselijk dat mijn lichaam dáár nog net niet helemaal klaar voor is.

En om terug te komen op cogito ergo sum: op deze zonnige zaterdag waren bij mij lichaam en geest – in tegenstelling tot de theorie van Descartes – niet gescheiden, maar juist een eenheid. Een soort van ‘ik sport, dus ik besta’. En om het nu niet té filosofisch te maken: ik heb vooral erg genoten: van het ronddraaien van mijn benen, de wielen, de zon, mijn schaduw die met me meereed, het uitzicht over het IJsselmeer, de takjes zoekende vogels, de trein die langs reed, het bootje in de verte, mijn hoofd dat leeg raakte en het lekkere gevoel van buiten zijn.

Sinds maart 2014 ben ik vrijwilliger bij de Stichting Vrouwentriathlon. Ik schrijf teksten voor de nieuwsbrief, website en persberichten en eens per maand schrijf ik een blog over mijn voorbereidingen op de Vrouwentriathlon. Bovenstaande blog verscheen op 26 februari 2019 in de nieuwsbrief en op de website van de Vrouwentriathlon.